Luister naar een gesprek in de klas. Noteer een aantal zinnen of zinsdelen uit dat gesprek. Je weet niet waar het over gaat en dat is ook niet de bedoeling, het gaat om flarden van een gesprek. Schrijf die zinnen en zinsdelen uit en bepaal zelf de volgorde ervan. Vorm ze tot een gedicht. Je gedicht hoeft niet noodzakelijk een logische samenhang te hebben. Een beetje mysterieus mag best.
Voorbeeld:
Tien minuten werken
Doe eens even rustig
Dat is fijn
Het draait niet alleen om jou
Dankjewel
We gaan naar buiten
Hoe voer je de werkvormen uit: Voer met één kind voor de klas een gesprek. Het mag over alles gaan, hou het lekker willekeurig. Laat de kinderen flarden van het gesprek noteren. Daarna schrijven ze met die flarden een gedicht. Daarna kun je het nog een keer doen of twee kinderen met elkaar het gesprek laten voeren. Aan de hand van de leeftijd van de kinderen en hoe het gaat kun je het 15-60 minuten doen.
Extra: Je kan kinderen er een mooie tekening bij laten maken. Of laat ze meerdere gedichten schrijven. Laat ze hun gedicht op een vel papier plakken om de gedichten extra uit de verf te laten komen.