- Begin je gedicht met: Ik ben van
- Schrijf in de tweede dichtregel iets dat met jou te maken heeft.
- Schrijf ongeveer 10 persoonlijke dingen onder elkaar.
- Begin de dichtregels met: van of en
- Maak de dichtregels niet te lang.
- Eindig met de dichtregel: Ik ben dat alles en nog/niets meer … . Of met een soortgelijke slotzin.
Voorbeeld:
Ik ben van
De grootste stad in het land,
van Friese boerenklei
van buiten staan en toch binnen zijn
van woorden schikken
en wonen op het water
van dramatische verhalen
van creatief en techniek
van kickboksen en karate
van met mezelf samenvallen
en doelloos dwalen
van scherp ontleden en vaag voor me uit staren
en het onzegbare zegbaar maken.
Ik ben dat alles en nog meer…
Hoe voer je de werkvormen uit: Laat een voorbeeld zien. Laat de kinderen daarna zelf proberen een ik-ben-van-gedicht te schrijven. Aan de hand van de leeftijd van de kinderen en hoe het gaat kun je het 15-60 minuten doen. Zet een lekker jazz- of pianomuziekje aan!
Voor kinderen die weinig inspiratie kunnen vinden: Voer een gesprekje met hen over mogelijke onderwerpen binnen hun omgeving. Of laat ze in de klas rondkijken en inspiratie opdoen.
Extra: Je kan kinderen er een mooie tekening bij laten maken. Of laat ze meerdere gedichten schrijven. Laat ze hun gedicht op een vel papier plakken om de gedichten extra uit de verf te laten komen.